Wie speelt welke rol?
Maar wie staan hier nu eigenlijk voor aan de lat? Alle overheidslagen doen wel iets. Ik las in deze LinkedIn-post van Inge van Dijk (Tweede Kamerlid, CDA) dat sport en bewegen 0,009% op de VWS-begroting beslaat. Provincie Noord-Brabant ondersteunt naast evenementen, topsport en talentontwikkeling ook met inzet op bijvoorbeeld Uniek Sporten en Bewegen In de Openbare Ruimte. Maar het zijn primair de gemeenten die verantwoordelijk zijn. En daar wringt het vaak.
De grotere gemeenten hebben nog wel een visie en voldoende handjes in de uitvoering om invulling aan beleid te geven, alhoewel koerswijzigingen vaak tijd vragen. Dat komt ook door de goedbedoelde initiatieven vanuit de andere overheden waar gemeenten zich weer toe dienen te verhouden, willen ze daar ook financieel baat bij hebben. Soms verstoort dat de lokale processen.
Daarentegen hebben kleinere gemeenten te kampen met beperkte capaciteit. Daar ontbreekt het vaak aan visie. Niet uit onwil of onkunde, maar simpelweg omdat meer dan de actuele ballen in de lucht houden niet lukt. Dan doen we wat we altijd deden of geldt het principe van follow the money. Tijdelijk geld, tijdelijke inzet en focus, tijdelijke en beperkte resultaten, laat staan impact creëren….
Hoe moet het dan wel?
Eigenlijk is er een systeemwijziging nodig en/of een wet, waarvan het overigens maar de vraag is hoe ver die gaat reiken. Maar laten we daar niet op wachten. We kunnen nu al iets doen. Vanuit de Rijksoverheid en provinciale overheid zou het fijn zijn om (nog) betere aansluiting te vinden bij wat er lokaal gebeurt en dan te investeren en te ondersteunen in langere lijnen: minder incidenteel en versterken van wat al goed werkt vanuit gezamenlijk beleid. Dat vraagt een continue dialoog tussen deze overheidslagen om de bestaande budgetten effectief en efficiënt in te zetten.
Voor gemeenten betekent dit een concrete visie; wat wil je met sport en bewegen zelf en hoe kan sport en bewegen bijdragen aan doelstellingen op andere beleidsterreinen. Hang vervolgens alle keuzes die je in de uitvoering maakt, daaraan op. Centraal daarbij zijn vraaggericht werken (en daarmee dus data), een wijkgerichte/domeinoverstijgende aanpak en regionale samenwerking. Klinkt logisch, maar is niet altijd eenvoudig. Om vraaggericht te kunnen werken heb je inzicht in inwonerswensen en -perspectieven nodig en om datagestuurd te kunnen werken moet je monitoren en evalueren.
Een wijkgerichte aanpak vraagt lef in het gemeentehuis: durven we de domeinen ook financieel aan elkaar te verbinden, al is het maar met overkoepelende experimenteerruimte. Want als we in het kader van gezondheid of brede welvaart mogelijkheden zien om met sport en bewegen een bijdrage te leveren, dan mag dat ook iets kosten! Het vraagt ook lef in de aansturing naar je uitvoeringspartijen met heldere opdrachten, niet alleen op inhoud maar vooral op samenwerking; niet allemaal je eigen programma afdraaien in de wijk maar een gezamenlijke aanpak.
Samen bouwen we verder!
En je staat er als gemeente niet alleen voor. Regionaal samenwerken loont; je hoeft niet allemaal zelf het wiel opnieuw uit te vinden en daar dus op te investeren, maar stel een agenda op met gemeenschappelijke thema’s waar je gebundelde middelen aan koppelt. Terwijl ik dat schrijf hoor ik de diverse gemeenteraden al aarzelen; “hoe kunnen we de begrotingen dan controleren, onze middelen zijn immers voor onze inwoners?” Dus ook hier is lef nodig om te kijken hoe het wel kan. We willen immers toch niet het gedrag van zorgverzekeraars kopiëren (gericht op het eigen belang) maar juist verantwoordelijkheid nemen voor het totaal, voor alle inwoners? En samenwerken biedt juist ook kansen! Denk aan een bredere scope, versnelling door verdeling van aandacht, aantrekkelijker voor provincie en private partijen om aan te haken, te ondersteunen en te investeren.