Toen ik een jaar geleden startte als expert monitoring en evaluatie bij SSNB, ben ik gaan uitzoeken hoe monitoring en evaluatie werden ingericht binnen Brabantse gemeenten. In gesprekken met beleidsmedewerkers, coördinatoren en buurtsportcoaches, en bij het doornemen van bijvoorbeeld verantwoordingen aan de gemeente over de inzet van buurtsportcoaches, zag ik een duidelijke focus op activiteiten. Wat deze inzet daadwerkelijk opleverde, of hoe dit bijdroeg aan beleidsdoelen, bleef vaak onderbelicht. Tegelijkertijd werden er wel vragenlijsten en evaluaties uitgevoerd. De wil om meer inzicht te krijgen is er dus, maar de vertaling van cijfers naar betekenis blijkt lastig. Niet door onwil, maar gebrek aan tijd, kennis en een duidelijke structuur.
Een vergelijkbaar beeld zag ik eerder in mijn werk bij het Mulier Instituut. In de landelijke monitor van de Brede Regeling Combinatiefuncties vulden gemeenten jaarlijks een uitgebreide vragenlijst in over de inzet van onder andere buurtsportcoaches. Hierin kwamen doelgroepen, samenwerkingen, financiering en activiteiten uitgebreid aan bod. Opvallend: aan het einde van de vragenlijst stond maar één vraag over het bereik, namelijk naar het aantal unieke deelnemers. Het antwoord op deze vraag bleek vervolgens vaak een inschatting. Tegelijkertijd was dit één van de weinige indicatoren die iets moest zeggen over het effect van de inzet van de buurtsportcoaches.
Van tellen naar begrijpen
We meten vooral wat relatief eenvoudig te verzamelen is, niet per se wat inzicht geeft in resultaten. Neem een scholenvoetbaltoernooi of de Koningsspelen. Als het doel daarvan is om kinderen een sportieve dag te laten beleven, is het logisch om te kijken naar het aantal deelnemers en te concluderen dat de activiteit waardevol is.
Maar regelmatig wordt er een ander doel aan gekoppeld, zoals ledenwerving voor sportverenigingen. Dan is de relevante vraag niet hoeveel kinderen meedoen, maar of zij daadwerkelijk lid worden. Als dat niet gebeurt, moeten we ons afvragen of deze activiteit wel bijdraagt aan het beoogde doel. Dat betekent niet dat de activiteit geen waarde heeft, maar wel dat het doel en de inzet niet met elkaar in lijn zijn.
Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld een wekelijkse wandelgroep van tien senioren. Op basis van aantallen lijkt de opbrengst beperkt, zeker gezien de structurele inzet van een buurtsportcoach. Maar als deelnemers meer bewegen, sociale contacten opdoen en minder eenzaamheid ervaren, is de (maatschappelijke) opbrengst juist heel groot. In dat geval zeggen aantallen weinig over de daadwerkelijke waarde.
Monitoring zou daarom niet alleen moeten gaan over hoeveel er gebeurt, maar over wat er verandert. Wat is er anders geworden door een activiteit? Wie wordt daadwerkelijk bereikt? En wat betekent dat voor de doelgroep?
Theory of Change als hulpmiddel
Een handig hulpmiddel om betekenis te geven aan cijfers is de Theory of Change (ToC). Zie het als een routekaart: je begint bij je activiteit en redeneert logisch door naar je einddoel.
Neem het jaarlijkse voetbaltoernooi voor scholen. De cijfers zijn mooi: 200 deelnemende kinderen. Maar als het uiteindelijke doel ‘structurele sportdeelname’ is, moeten we kritisch naar de tussenstappen kijken. De ToC dwingt ons de volgende vraag te stellen: waarom zou een kind na één middag voetballen ineens lid worden van een club?
Vaak ontbreken in de praktijk de noodzakelijke tussenstappen. Denk aan een warm welkom bij de vereniging, een gratis proefles direct na het toernooi, of contact met ouders over de contributie. Zonder die stappen blijft het toernooi een leuke dag, maar verandert er structureel niets.
Het moreel van dit verhaal? We monitoren en evalueren niet om alleen maar getallen te verzamelen, maar juist om erachter te komen of onze logica klopt. Het biedt ons de kans om te leren en te verbeteren. We moeten stoppen met activiteiten die we alleen maar uitvoeren “omdat we het altijd al zo deden”. Als de logische keten van een scholentoernooi naar een lidmaatschap ergens breekt, moeten we de moed hebben om de aanpak te veranderen.
Veel data, maar weinig antwoorden over inzet buurtsportcoach
Er komt steeds meer data beschikbaar. Dashboards, zoals die van Sport Data Valley (onderdeel van Mulier Instituut), maken verschillen in wijken, sportdeelname, gezondheid en voorzieningen voor gemeenten inzichtelijk. Ze helpen bij het maken van beleidskeuzes: waar is inzet nodig? Ze laten bijvoorbeeld zien in welke wijken de sportdeelname achterblijft.
Tegelijkertijd zeggen deze data weinig over wat die inzet vervolgens oplevert. Daarvoor is lokale monitoring nodig, waarin niet alleen wordt gemeten wat er gebeurt, maar ook wordt gekeken of de beoogde verandering optreedt. Juist in combinatie met een Theory of Change kan zo worden beoordeeld of de gekozen aanpak daadwerkelijk bijdraagt aan de gestelde doelen.
Impact meten zonder door te slaan
Het wetenschappelijk aantonen van impact in de praktijk is ontzettend lastig. Juist wanneer je, zoals hierboven beschreven, beter wilt begrijpen wat inzet oplevert, ontstaat de vraag hoe ver je daarin moet gaan.
Uit discussies binnen het WINST (Waarde en Impact Netwerk Sport)-netwerk bleek ook dat er hierin nog een lange weg te gaan is. De wensen en behoeften komen hierbij ook in het gedrang: gemeenten willen impactrapportages om zaken te kunnen verantwoorden, maar wij willen bij SSNB wegblijven van ingewikkelde modellen (zoals de MKBA) die succes alleen in euro’s uitdrukken.
Wij vinden dat buurtsportcoaches aan de lat staan om onderbouwd uit te leggen waarom ze doen wat ze doen. Zij hoeven niet wetenschappelijk te bewijzen dat hun inzet werkt, maar moeten inzichten verzamelen om programma’s beter te maken. Het meten moet zijn doel niet voorbijschieten; er moet niet meer van de kostbare tijd verloren gaan aan administratie. Instrumenten zoals de Impactwijzer van Kenniscentrum Sport & Bewegen kunnen hierbij helpen om verder te kijken dan aantallen, zonder direct te vervallen in zware en complexe meetmodellen. De uitdaging is om het simpel te houden: niet alles willen meten, maar wel het juiste. Want wanneer het te ingewikkeld wordt, verdwijnt het draagvlak.
Juist in een periode waarin financiële middelen onder druk staan, wordt dit steeds belangrijker. Inzicht in wat werkt en wat het oplevert helpt niet alleen bij verantwoorden, maar ook bij het maken van scherpere keuzes. Bovendien doet het meer recht aan het werk en de waarde van buurtsportcoaches. De waarde zit namelijk juist in het hele verhaal: van het bereiken van kwetsbare inwoners die drempels ervaren tot het versterken van sociale netwerken en het verbinden van lokale partijen (zoals fysiopraktijken en basisscholen in de wijk).
Samen op weg naar effectief monitoren
Binnen SSNB werken we aan een meer structurele en uniforme aanpak. De ambitie is dan ook om, voor de negen Brabantse gemeenten waarin onze buurtsportcoaches actief zijn, op dezelfde manier te monitoren en evalueren.
Daarnaast is het mijn droom om uiteindelijk toe te werken naar een overzicht waarin verschillende databronnen samenkomen. Openbare data, lokale data van activiteiten, informatie over sportaanbod, aanvragen bij o.a. het Jeugdfonds Sport & Cultuur en andere relevante gegevens. Niet om alles te meten, maar om beter inzicht te krijgen in de situatie in een gemeente én de bijdrage van buurtsportcoaches daaraan.
De behoefte naar inzichten speelt landelijk: gemeenten en organisaties zoeken naar manieren om beter inzicht te krijgen in de opbrengsten van buurtsportcoaches. Juist daarom is het belangrijk om hierover met elkaar in gesprek te blijven, ervaringen te delen en samen te zoeken naar werkbare oplossingen. Want uiteindelijk gaat het niet om aantallen, maar om wat er verandert en waar de buurtsportcoach echt het verschil maakt voor de inwoner.