De toegankelijkheid van verenigingssport vraagt om meer dan structurele financiering

2 november 2026

Op 2 november publiceerde NOC*NSF de resultaten van onderzoek naar de toegankelijkheid van de Nederlandse verenigingssport. Een van de meest belangrijke conclusies is dat ruim één miljoen Nederlanders in het afgelopen jaar niet direct terecht konden bij een sportvereniging, onder andere door wachtlijsten, een gebrek aan kader of beperkte capaciteit. Meer over dit onderzoek lees je in dit nieuwsbericht van NOC*NSF.

Bij SSNB herkennen we het beeld dat de vraag naar sport en bewegen bij een vereniging nog steeds groot is. Goed nieuws, want sportverenigingen vervullen een belangrijke rol in thema’s als gezondheid, sociale verbinding en leefbaarheid en leveren zo een bijdrage aan de ambities van het Rijk, provincies en gemeenten op thema’s als preventie, mentale gezondheid, participatie en kansengelijkheid.

Tegelijkertijd zien en horen we dagelijks dat veel verenigingen onder druk staan. Mede door een tekort aan vrijwilligers, bestuurstaken worden complexer en accommodaties hebben op piekmomenten steeds vaker capaciteitsproblemen. Dat vraagt om structurele investeringen in de sportinfrastructuur, maar we willen ook benadrukken dat de oplossing genuanceerder ligt.

Achter wachtlijsten gaat een groter verhaal schuil

Wachtlijsten worden vaak gezien als een direct capaciteitsprobleem. Maar niet iedere club heeft een wachtlijst. Binnen dezelfde gemeente, en soms zelfs binnen dezelfde sport, weten we dat er zowel verenigingen zijn met lange wachtlijsten als verenigingen die dringend op zoek zijn naar nieuwe leden.
Dat roept belangrijke vragen op. Waarom kiezen sporters voor de ene vereniging en niet voor de andere? Welke rol spelen bereikbaarheid, cultuur, kwaliteit, uitstraling en aanbod? En hoe zorgen we ervoor dat die kennis en succesfactoren beter worden gedeeld tussen verenigingen?

Accommodaties slimmer benutten

Het debat richt zich vaak op tekort aan sportaccommodaties, terwijl tegelijkertijd veel accommodaties (buiten de stedelijke omgeving) buiten de piekuren nog onvoldoende worden gebruikt. Door samenwerking tussen gemeenten, verenigingen, onderwijs en zorg- en welzijnsorganisaties kunnen sportlocaties vaker en breder worden ingezet, juist buiten die piekmomenten.

Dat vraagt van gemeenten en verenigingen om een integrale blik op accommodatiebeleid. Niet alleen kijken naar ruimtegebrek op dinsdagavond of zaterdagmiddag, maar ook naar mogelijkheden op andere momenten van de week en wat accommodaties dan nodig hebben om op die kansen in te springen.

Verenigingen moeten mee kunnen bewegen met de sporter van nu

Ook de behoeften van sporters veranderen. Niet iedereen zoekt nog de traditionele verenigingsstructuur met vaste trainingsmomenten in de avonden en langdurige lidmaatschappen. Sporters zoeken steeds vaker flexibiliteit en aanbod dat aansluit bij hun persoonlijke werk- en leefschema.

Dat betekent niet dat de vereniging haar identiteit moet verliezen, maar wel dat ze ondersteund moeten worden om te kunnen vernieuwen. Verenigingen die inspelen op veranderende behoeften zijn vaak beter in staat nieuwe doelgroepen te bereiken en bestaande leden te behouden. Clubondersteuners in gemeenten ondersteunen verenigingen nu al vaker met die professionaliseringsslag.

De oplossing ligt breder

Onze conclusie is dan ook dat de oplossing twee kanten kent. Ja, er moet blijvend worden geïnvesteerd in sport. Als overheden verwachten dat sport en bewegen een bijdrage leveren aan gezondheidsdoelen, sociale samenhang, leefbaarheid en preventie, dan horen daar structurele investeringen bij. Zoals de coalitie ook in haar akkoord heeft beloofd.

Maar geld alleen is niet de oplossing. Deze uitdaging vraagt ook om sterke verenigingen, toekomstbestendig accommodatiebeleid, vernieuwend sportaanbod en professionele ondersteuning van clubs. Juist rollen als clubondersteuners en buurtsportcoaches moeten de ruimte hebben en behouden om verenigingen te ondersteunen om hun club toekomstbestendig te maken.